Radio Freie
Als je voor je onderzoek in het oorlogsverleden van personen wilde graven, dan moest je daarvoor een schriftelijk verzoek indienen bij het ministerie van Justitie, documentatie en archieven in Den Haag.
Ik wilde alle informatie en processen verbaal betreffende de pro-formazitting over mijn vermoorde oom Herman niet alleen inzien, maar ook mee naar huis nemen. Maar ja, dat is ten strengste verboden en hoe doe je dat in de korte tijd die je daarvoor kreeg? Bovendien, als je al toestemming kreeg, dan werd je er schriftelijk op gewezen dat je niets in de leesruimte mag meenemen. Jas, tas, eten, alles moest je bij binnenkomst achterlaten.
Omdat ik persé alle verbalen woord-voor-woord wilde hebben, vooral die van zijn verrader, moest ik een list verzinnen. In die tijd had nog niemand een mobieltje, maar ik zag bij Freië een klein opnameapparaatje met mini-cassette liggen. Dat ding paste prima in mijn mouw en met een extra pakje cassettes toog ik huiswaarts.
In de trein had ik ruimschoots de gelegenheid het opname-apparaatje uit te proberen. Het werkte prima en werd door de mouw van mijn trui keurig aan het zicht onttrokken. Horlogebandje er omheen en klaar was James Bond.
Nadat ik me bij een soort loket had gemeld, werden mijn persoonsgegevens doorgegeven aan een duistere afdeling. Even later werd ik opgehaald door een soort politieambtenaar in burger. Achter hem aan spoedde ik mij door tal van gangen en langs onduidelijke kantoorruimtes. Het ging zoals ik verwachtte: alle spullen moest ik achterlaten, alleen een pen en notitieblokje mochten mee.

In een speciale leesruimte lagen alle opgevraagde documenten voor me klaar. Aantekeningen, krantenknipsels, processenverbaal, verslagen, alles in oude mappen en bijeen gehouden door smoezelige linten. Helemaal in de hoek van het zaaltje zat een gezette man met wild, grijs haar. Hij groette me zonder zich om te draaien. Ik begon: verbaal na verbaal, verslag na verslag. Zonder ophouden fluisterde ik alle teksten in mijn mouw. Steeds vlugger en ook steeds harder.
De man in de hoek begon veelvuldig te bewegen en ik begreep dat hij last moest hebben van mijn tomeloos gepraat. Ik verontschuldigde me daarom in zijn richting. Hij draaide zich om, glimlachte en zei met een onmiskenbaar Belgisch accent: ‘Nee hoor, daar heb ik geen last van’. Hij draaide zich verder om en opende zijn colbertjasje, op zijn schoot zag ik een forse laptop. We vervolgden allebei tevreden onze onderzoeken.
Die trap
Meteen toen ik uit de bus was gestapt bij Auschwitz II-Birkenau en die spoorlijnen zag die vlak voor de poort bijeen kwamen, stond ik bedremmeld even stil. Er overviel me een naar beklemmend gevoel en ik voelde aan alles dat hier dingen waren gebeurd waar je niet bij wilde zijn. Alles ademde onheil voelde ik, een foute plaats waar je instinctief vandaan wilt.
Misschien werd dat gevoel opgeroepen door mijn voorkennis en het was die dag immers al een trieste herfstdag. Maar ik had nog geen detail in het Stammlager Auschwitz I gezien. Geen bergen menselijk haar, geen enorme hoop brillen en geen gaskamers, zaken die m’n voorstellingsvermogen te boven gingen. Gruwelijkheden die ik niet voor mogelijk had gehouden en alle beschrijvingen tarten.
Tijdens onze excursie door de ‘fabriek des doods’ zag ik ook die trappen, die diep uitgesleten trappen. Puur graniet en bijna onverslijtbaar. Ik heb een tijdje staan nadenken onderaan zo’n trap en een foto gemaakt. Het trof me, die afgesleten treden. Hoeveel voeten waren daar overheen gegaan? Op weg waar naar toe?

Een kort gedichtje:
Een trappe in Auschwitz
Ziet disse trappe,
kiek es die treden.
‘t Bint stille getuugen,
van een groewlijk verleden.
Hoevölle voeten,
mu-j doar niet zetten,
veurdat det graniet
zo kats is versletten?
Meer dan ’n miljoen
bint hier vergast,
vertelt disse trappe
den zich an hef e’past.
Waar zou jij staan?
Op 29 maart 1945 werd, vlak voor de bevrijding, mijn oom Herman Kampman langs de Almelosestraat in Wierden doodgeschoten. Tezamen met 9 anderen werd hij door vuurpeloton van de Grüne Polizei aangevuld met Nederlandse handlangers vermoord. Het lijkt al weer zo lang geleden, maar oorlogen en dreigingen die vandaag overal in de wereld plaatsvinden rechtvaardigen de vraag:
Waar zou jij staan?
Waar zou jij staan als het nu oorlog was?
Een moordend leger ons weer zou bezetten,
ons onderdrukken zou om ons geloof of ras,
loop jij dan mee of zou je je verzetten?
Mijn oom hebben ze vermoord
daar zomaar langs de straat.
Eerst werd hij zwaar verhoor
maar hij heeft niet gepraat.

Zo redde hij de levens
van mensen om hem heen
en zorgde daarmee tevens
dat nieuw bewijs verdween.
Hij was geen grote held,
geen strijder van formaat.
Hij gruwde van geweld
en handelde uit haat.
Getergd bood hij verzet
voor volk en vaderland.
Zocht steun in het gebed,
schoof angsten aan de kant.
Bezield was zijn verweer.
Hij kon de vijand schaden,
maar hij werd eens te meer
door eigen volk verraden.
Zijn vechtlust werd verstoord.
Doodmoe van het verraad
hebben ze hem vermoord,
daar zomaar langs de straat.
Waar zou jij staan als het nu oorlog was?
Een moordend leger ons weer zou bezetten,
ons onderdrukken zou om ons geloof of ras,
loop jij dan mee of zou je je verzetten?
De Nijverdals componist Jan Niewold is gevraagd dit gedicht op muziek te zetten en het is de bedoeling dat zangeres Zoë Wolff het tijdens de theatervoorstellingen ‘Wie bint vrie’ zal gaan zingen. Tenminste, als dat allemaal gaat lukken. Momenteel wordt er hard gewerkt om er een goed lied van te maken en ik heb al een stukje mogen horen: kippenvel!
Gered door een foto van de jongelingsvereniging
Illegale krantjes keerden zich tijdens de oorlog fanatiek tegen de nazi’s. Ze protesteerden en waarschuwden tegen de hardvochtige maatregelen van de bezetter. Ook legden zij de betekenis uit van Duitse regels en brachten nieuws dat niet in de gewone kranten stond. Daarnaast werden regelmatig berichten doorgegeven die van belang konden zijn voor verzetsgroepen. Makers en verspreiders van illegale kranten deden gevaarlijk werk, er stond de doodstraf op. Ook in het bezit hebben van een enkel verzetskrantje was heel riskant en kon een flinke straf opleveren.
Het gebeurde in Hulsen bij een huiszoeking. Fanatieke Duitse soldaten doorzochten de hele boerenwoning grondig. De soldaten waren woedend omdat in de buurt een motorrijwiel was gestolen en nog niet was teruggevonden. Agressief was alles overhoop gehaald, het hooi uitgekamd en zelfs hopen aardappelloof op de kop gezet echter zonder resultaat. Tenslotte was het gezin in de grote kamer bijeengedreven en stond gespannen af te wachten, terwijl de Hitler-bende uit pure frustratie dreigend stond te roepen en zwaaide met hun wapens.
Geen van de Hulsenaren zei iets totdat één van de zoons verstijfde toen een Duitser naar de kapstok liep en daar de jassen begon te doorzoeken. Er hing ook een jas van hem aan een koperen haak met in de binnenzak een illegale krant. Oeoeioei, als die soldaat dat krantje zou vinden, dan was het leed niet te overzien.

Terwijl hij de familie dreigend aankeek schoof de Duitser zijn hand in de binnenzak van de jas. Even graaide hij en haalde toen een foto tevoorschijn. Hij bekeek het groepje mensen op het portret en gooide de foto op tafel. Aandachtig gleed zijn blik langs het gezin in de kamer.
Niemand reageerde, allemaal stonden ze met hun gezicht naar de vloer en wachtten gespannen af. Het was een foto van de Hulsense jongelingsvereniging zagen ze toen ze voorzichtig naar de foto op tafel keken.
“Du?” grauwde de Duitser tegen een van de jongens. Deze bleef kalm en knikte alleen. Na een korte aarzeling verliet de Duitser met zijn manschappen de woning. Door deze foto bleef de illegale krant in de jas achter. De opluchting was enorm en ook de motor hebben ze nooit gevonden.





