Voorjaar 2026. Ik ga op bezoek. Sinds kort heeft het verpleeghuis ook ‘open deuren’. De cliënten kunnen (nog) niet zomaar naar buiten lopen, maar kunnen binnen het huis hun gang gaan. Letterlijk.
Er zijn twee van die gangen; een binnen- en een buitenring. De buitenring is de ‘belevingsgang’. Daar is van alles te doen. Kegelen, basketbal, hinkelen. Dat soort dingen. Niet dat die mensen dat uit zichzelf doen, maar met begeleiding is het soms best leuk.
Binnen het verpleeghuis zien vier huiskamers. Elke huiskamer heeft een stuk of negen bewoners. Als ik kom is Toos niet in of bij haar huiskamer. Ze is aan de wandel. Het aanbod om te helpen zoeken sla ik af. Ik weet de weg.
Ik loop door de gangen. Blijf af en toe staan. Door haar innerlijke onrust maakt Toos zachte hum-geluidjes. Alsof ze in haar hoofd een liedje neuriet. Wel de hele tijd het zelfde stukje. Voordeel is dat ik als ik stil sta en goed luister vaak al ergens het gehum hoor. Dat is makkelijk zoeken.
Als ik zoek, loop ik altijd hetzelfde rondje. Soms loopt ze met haar ‘vriendin’ uit de andere huiskamer. Soms loopt ze door de gangen van de meest veraf gelegen huiskamer. Daar ga ik als laatste naar toe.
Ik hoor geen gehum, maar hoor haar enthousiast praten. Ik loop de hoek om en daar loopt Toos. Samen met Jacob. Hand in hand. Jacobs zoon erachter. Hij weet niet zo goed wat te doen. Toos ziet mij en roept: “Daar is mijn vriend!” Ik zeg: “Ga je mee?” Ze kijkt Jacob aan. Kijkt mij aan. Beetje verward.
“Gaat hij ook mee?” vraagt ze. “ Nee,” zeg ik, “die gaat met hem mee.” Ik wijs naar zijn zoon. Jacob wil niet loslaten als Toos probeert haar hand terug te trekken. Als ik die hand wil pakken, zegt hij: “Die is van mij,” wijzend op Toos.
Toos weet zich los te maken. Loopt met mij mee, maar kijkt achterom, haar arm nog uitgestrekt. Vraagt weer: “Gaat hij niet mee?” Dan krijgt ze ineens een ingeving. Wordt onrustig. “Ik wil niks met hem hoor. Ik heb ook tegen hem gezegd dat ik dat niet wil.”
Angstig kijkt ze me aan of ik haar wel geloof. Ik pak haar gezicht in mijn handen en geeft haar een kus: “Dat weet ik wel. En je mag best een vriend hebben. Niks mis mee.” Dat lucht op. Vrolijk loopt ze met me mee.





