Alle partijen zijn het erover eens: Het college bepaalt op welke manier burgers en organisaties (stakeholders, noemt men die) mogen meepraten of zelfs meebeslissen. De raad controleert en bepaalt achteraf of het college het goed heeft gedaan.
Die ‘controle’ van de raad kan achteraf plaatsvinden, maar soms ook vooraf. In dat geval kan het college zeggen op welke manier men mensen betrekt bij een zaak en kan de raad zeggen dat het meer of minder moet. Je kunt zelfs standaards maken.
Soms kunnen burgers beslissen
Bij bv de aanleg van parkeerplaatsen of de aanleg van groen kun je zover gaan dat je burgers laat bepalen wat er moet komen en waar. Bij grote projecten, zoals woningbouwplannen, kun je niet aan burgers overlaten of die plannen worden uitgevoerd.
Iedereen wil nieuwe huizen in onze gemeente, maar ‘niet bij mij in de buurt’. Kijk bijvoorbeeld naar de plannen voor nieuwbouw aan de Rijssensestraat bij de Bergleidingweg. Omwonenden zeggen het eerlijk: “Wij zijn voor nieuwe huizen, maar niet naast onze huis”.
Soms is ‘participatie’ alleen maar informatie verstrekken en luisteren
In dit soort gevallen gaat het bij ‘participeren’ eigenlijk alleen om het geven van informatie en uitleg: “we gaan daar bouwen”. Het moet duidelijk zijn dat er voor omwonenden en anderen geen ruimte mee te praten over dat voornemen. Ze kunnen hooguit meepraten om de uitwerking van dat plan. Bijvoorbeeld hoe wordt voorkomen dat de bewoners van die nieuwe huizen bij hen naar binnen kijken.
Wat de raad heel duidelijk ziet is dat je het nooit iedereen naar de zin kan maken. Lokaal Hellendoorn heeft het daar het moeilijkst mee. Heeft moeite met het ‘afwijzen’ van draagvlak. Terecht zegt men wel: “Als je afwijkt van wat de mensen vinden, moet je dat heel goed kunnen uitleggen.”
Duidelijk maken wat wordt verwacht; wat kan en niet kan
Wat de gemeenteraad heel duidelijk stelde is dat het aan het begin van een project heel duidelijk moet zijn waarover burgers en organisaties kunnen meepraten. Wat hun rol is, hoever hun invloed reikt, waarover ze wel en waarover ze niets te zeggen hebben en wie uiteindelijk de beslissing neemt. Dat moet van het begin af aan helder zijn.
Soms kan er geen ‘participatie’ zijn. Daar is iedereen het mee eens. In een crisissituatie moeten knopen worden doorgehakt en wel zo snel mogelijk. In gevallen waarin er niets te kiezen is, is participatie ook niet zinvol.
Interessant was de vraag “Wanneer is participatie geslaagd?” Dat bleek een moeilijk verhaal. Soms is participatie geslaagd als “de burgers en organisaties tevreden zijn” en “als de doelen gehaald worden”.
Moeilijk aan te geven. ‘Geslaagd’ betekent bij elk project wat anders. Je kunt het vooraf formuleren. GroenLinks gaf nog de (niet onnodige) boodschap mee op te passen voor ‘oververtegenwoordiging’. Daarmee werd bedoeld dat tegenstanders van een bepaalde zaak de overhand nemen en voorstanders niet aan het woord zijn.
In de wandelgangen: meer oplossingen en meningen per oplossing
In de wandelgangen ging het idee om voorstellen aan de raad anders te doen. Voor een bepaald probleem komen verschillende oplossingen op tafel. Bij elke oplossing komen de voor- en nadelen te staan plus wat burgers en organisaties van die oplossing vinden. Op die manier kan de raad beter afwegen wat de beste oplossing is.





